Nieuw kabinet wil wooncrisis te lijf met extra geld. Maar een toekomstvisie heeft het niet
De formerende partijen bouwen voort op het woningmarktbeleid van het huidige kabinet. Met meer geld, en dat helpt wel. Maar op de langere termijn is iets anders nodig.
‘Bizar’ noemt hoogleraar woningmarktbeleid Peter Boelhouwer het. Het kabinet-in-aanbouw wil gemeenten verbieden om statushouders voorrang te geven bij het toewijzen van een sociale huurwoning. “Waar moeten die dán gehuisvest worden? In hotels? Of moeten ze nog langer in overvolle azc’s blijven?”
Het zinnetje over statushouders is het opvallendste wat het onderhandelaarsakkoord op woongebied bevat. Dat verbod zal ‘als een boemerang terugkomen’, voorziet Boelhouwer. Maar over de andere woonplannen uit het akkoord is hij ‘best positief’. “Er spreekt urgentie uit, er wordt ook meer geld uitgetrokken voor woningbouw.”
De vier formerende partijen sluiten op woongebied in grote lijnen aan bij wat de huidige minister van volkshuisvesting, Hugo de Jonge, al in gang heeft gezet. Net als hij streven zij naar 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar. En net als hij willen ze dat twee derde van al die nieuwbouw betaalbaar is voor mensen met een middeninkomen. 30 procent ervan moet een sociale huurwoning zijn – al lijken de vier partijen gemeenten iets meer vrijheid te gunnen om daarvan af te wijken.
Projecten vlot trekken
Door het huidige en het vorige kabinet zijn al zeventien plekken aangewezen waar op grote schaal nieuwe woningen moeten komen, en het aanstaande kabinet wil dat daar snel nog nieuwe locaties bij komen. Minister De Jonge liep al snel na zijn aantreden aan tegen de gevolgen van economische tegenspoed, waardoor dat streefcijfer van 100.000 woningen per jaar vooralsnog niet gehaald wordt. Voor de vier formerende partijen zal dat niet anders zijn en zij zien deels dezelfde remedie als De Jonge: kortere procedures, minder ruimte voor burgers om bezwaar te maken tegen bouwplannen.
Wat ook kan helpen: meer overheidsgeld. De Jonge werd op pad gestuurd met een regeerakkoord waarin 100 miljoen euro per jaar voor woningbouw was uitgetrokken, plus nog eens 750 miljoen per jaar voor de benodigde infrastructuur eromheen. De vier formerende partijen willen daar een schep bovenop doen: 1 miljard voor nieuwbouw, 500 miljoen voor infrastructuur.
Nog lang geen 3 à 5 miljard, en zo’n soort bedrag is wel nodig, stelde Boelhouwer afgelopen najaar in een essay dat hij in opdracht van NSC schreef. “Maar met die anderhalf miljard – en via andere begrotingsposten komt daar nog wel wat bij – kan je toch heel wat projecten vlot trekken die nu stil dreigen te vallen. Op de korte termijn zal dat zeker helpen.”
Eerst een visie, dan een marsroute
Dat is ook meteen het manco van het onderhandelaarsakkoord: het gaat over de korte termijn. Twee jaar geleden kwam een groep van vijftien gezaghebbende economen (waaronder Boelhouwer) al met een plan voor de hervorming die de woningmarkt nodig heeft. Boelhouwer zelf schreef in zijn NSC-essay: ‘Als eerste moet de politiek een visie ontwikkelen, en een marsroute uitstippelen hoe we dit eindbeeld in de komende tien à twintig jaar kunnen bereiken. Kortetermijnmaatregelen om de huidige problemen het hoofd te bieden dienen in dit eindbeeld te passen.’
Van zo’n visie is in het akkoord nauwelijks iets te vinden. Wel bevat het een pleidooi voor een belasting op grond die speculatie met grondwaardes tegengaat en geld oplevert voor woningbouw – iets wat ook de vijftien economen bepleitten. “Best revolutionair”, zegt Boelhouwer. “Het duurt jaren voordat dat iets gaat opleveren.”
Andere plannen staan juist haaks op wat de woningmarkt op lange termijn nodig heeft. Zo stelt het akkoord uitdrukkelijk dat er niets verandert in belasting van de eigen woning. Terwijl er onder economen juist een overweldigende consensus bestaat over de noodzaak om de groeiende kloof in vermogens van huurders en eigenaren te verkleinen, door bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek af te bouwen.
Voor elke partij wel iets te vinden
“Onverstandig”, zegt Boelhouwer over deze passage in het onderhandelaarsakkoord. “Maar niet verrassend.” De politiek durft het sowieso niet aan, omdat een ruime meerderheid van de kiezers huiseigenaar is. “En VVD en NSC zijn er uitdrukkelijk tegen.”
Zo is er van elk van de vier partijen wel iets te vinden in het akkoord, besluit Boelhouwer. De verkoop van sociale huurwoningen aan bewoners: dat is een VVD-wens. Woningen op het boerenerf: iets voor BBB. Die grondbelasting: NSC. En statushouders: PVV. “Het is allemaal nogal doorzichtig.”
Lees ook:
Woningcrisis? Deze economen weten de oplossingen wel
Economen weten allang wat er moet gebeuren om de wooncrisis grondig aan te pakken. Maar zo’n aanpak kost tijd, en de politiek heeft vooral oog voor de korte termijn, blijkt uit de partijprogramma’s. ‘Hervormingen zijn ingewikkeld, ja. En toch moet het.’